Skip to main content

In de loop der eeuwen is er, ook in kringen van vrijmetselaars, al heel veel over de proloog ( Joh 1,1-18) gezegd en geschreven. Dit artikel bespreekt de Johannesproloog echter niet in zijn geheel, maar legt de nadruk op de eerste vijf verzen. De opvatting dat die een herkenbare literaire eenheid vormen, is niet nieuw. Het is blijkens de Griekse tekst reeds het geval in de oudste papyrus (Papyrus 66). Een lege plek gaf er aan dat eerste vijf verzen een zelfstandige alinea vormden.

Ook het St. Cuthbert Gospel (zesde eeuw) introduceerde vers 6 als nieuwe aligna. Kerk vader Augustinus sprak in een van zijn preken over deze verzen zelfs als ‘capitulum primum’ en zag ze als het eerste hoofdstuk van het evangelie. Ze vormen in feite de ‘aanhef ‘ van de proloog. Dat bracht sommigen er in recente jaren toe, een onderscheid aan te brengen tussen de ‘oorspronkelijke proloog’ (de eerste vijf verzen) en de ‘proloog’ (de eerste 18 verzen). Maar vooraleer hierop dieper in te gaan, eerst enkele opmerkingen over het auteurschap.

De ‘Codex Muratori’ (ook wel de ‘Canon Mu ratori’ of het ‘Fragment van Muratori’), een tekst uit het eind van de tweede eeuw met de oudst bekende opsommingen van de boeken van het Nieuwe Testament, vertelt het verhaal dat Johannes met andere discipelen samen was. Aan Andreas (volgens het evangelieverhaal de eerst geroepene onder de apostelen) werd in een openbaring gevraagd dat Johannes zou op schrijven wat hij zich over Jezus herinnerde en, hoewel dat er niet letterlijk staat, ongetwijfeld ook wat anderen over hem vertelden. Johannes besloot later zijn verhaal dat als vierde evangelie de geschiedenis inging met de woorden: “Veel van de wonderen die Jezus voor de ogen van zijn leerlingen heeft gedaan, staan niet in dit boek vermeld…” (20,30).

De oorspronkelijke Johannestekst ging echter verloren. Op de vraag of Johannes werkelijk de schrijver van het vierde evangelie was bestaat daarom verschil van mening. We beschikken slechts over later aangevulde en soms bewerk te kopieën. Iets wat overigens ook geldt voor andere bijbelse geschriften. Omdat geen originelen voorhanden zijn, blijft over het verloop van het redactieproces veel onzeker. De oudste manuscripten vermelden enkel: “κατ ωáννην” (volgens Johannes).

Rudolf Bultmann

De Duitse theoloog Rudolf Bultmann (1884-1976), gebruikte voor de proloog van het Johannesevangelie ooit het beeld van een ‹ouverture›. De bisschop van Woolwich John A.T. Robinson (1919-1983), schrijver van het beroemde essay ‘Honnest to God’, vergeleek de proloog (vers 19 vormt na de traditionele proloog de overgang naar het evangelieverhaal) dan weer met het portaal van een kerk, dat een zekere zelfstandigheid heeft ten opzichte van de eigenlijke kerkruimte. Tegelijk vormt het volgens hem hiermee echter een structurele en architectonische eenheid. Voor Robinson was God geen wezen of per soon, maar (zo dacht ook de Duits-Amerikaanse filosoof-theoloog Paul Tillich) de diep ste grond van ons bestaan. Die grond was voor Robinson niets anders dan de liefde in de hogere graden een bekend thema. Hij keerde zich hiermee tegen de orthodoxe theologie, die God als een wezen voorstelde dat over het le ven van mensen regeerde. De vraag die echter bleef liggen, was hoe men dan vers 6 diende te interpreteren. Dat vers draagt plots (na de vijf inleidende verzen) een narratief karakter. Het vertelt in een verhalende zin over Johannes de doper: “Er was een mens, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. Deze kwam om te getuigen, van het licht, opdat allen zouden geloven door hem. Niet hij was het licht, maar [hij was gezonden] opdat hij van het licht ge tuigen zou.”

De naam van Johannes de Doper duikt opnieuw op in vers 15, ook dit keer in een verhalende zin. In minder beeldende taal spraken anderen, waaronder de Duitse exegeet Rudolf Schnackenburg (1914-2002) tenslotte over de proloog als een theologisch aanvangsbericht. Een aanvangsbericht met een herkenbaar ritmisch karakter, gekenmerkt door een ‘staircase parallelism’ (opklimmend parallellisme). Ook de inhoud ging in de theologische discussies regelmatig (classici deden eeuwenlang iets gelijkaardigs) onder het exegetische, literaire, filosofische en theologische scalpel. Men wees bijvoorbeeld op het veelvuldig gebruik van de ‹parataxis›, de nevenschikking van hoofdzinnen. Iets wat in het klassieke Griekse geen voorkeur genoot. Men prefereerde er het gebruik van de bijzin. Vooral de aaneenschakeling van enige nevenzinnen met participia-vormen van werkwoorden gold als slecht Grieks. En dus zo meende men te mogen concluderen – was een bewijs gevonden voor de hypothese dat de schrijver misschien een jood was, met kennis van Hebreeuws en Aramees.

Thoth: Vrijheid van denken