Skip to main content

We reizen in de zeer vroege zaterdagochtend naar Willebroek, in België. We trekken samen naar voormalig concentratiekamp Breendonk. Opdat wij nooit vergeten. Nooit vergeten. We arriveren bij het aanbreken van de dag maar het blijkt volle middernacht. Volle middernacht en meer. De arbeid keert om: we gaan van het licht naar het donker. En daartoe stellen we ons op in rijen van drie – steeds wisselend in vertrek en verdeling, zodat we elkaar nooit werkelijk kunnen ontmoeten. Nooit werkelijk kunnen raken. Nooit werkelijk kunnen verstaan. Achter de poorten van de hel slokt het duister ons op. We leggen de gelofte van stilzwijgendheid af: “Wij beloven het!” De broeder die de herdenking leidt, geeft ons een duiding: “Alleen de sacrale stilte in haar ultieme wit kan verhalen wat hier is gebeurd…” Maar horen wij het ook echt? Horen wij het op de lagen die er werkelijk toe doen? Voelen we het? Bevatten we het?

De broeders van loge Het Truweel dragen allen witte handschoenen. Ik denk aan de woorden van de ceremoniemeester bij aanvang van iedere Open Loge, wanneer wij worden uitgenodigd om onze handen met witte handschoenen te omkleden: “Opdat de arbeid die van onze handen uitgaat, rein en onbezoedeld zij…” Op dat moment kijk ik naar mijn eigen handen: mijn wollen handschoenen zijn zwart. Symbool van mijn diepste angst: wat doe ík, als het er echt op aan komt? Als het menens wordt? Herken ik het kwaad? Zal het me lukken om mens te zijn? Mens te blijven?

Opnieuw de zin die ik nu al voor de zoveelste keer hier hoor – voor de zoveelste keer in dezelfde barak: “Maar de nacht herkent de naderende dag niet.” De zin spookt. Spookt telkens opnieuw. We staan in de eindeloze gangen vol van door duister verzwolgen licht. Terwijl we schouder aan schouder staan, klinkt de huilende viool. En terwijl de broeder spreekt, huilen wij zelf: “Wordt er geen ballade meer gespeeld? Klinkt er nergens nog een liefdesvers? Blijf bij me! Ik wil dat je bij me blijft…” Maar zelfs de dierbare acacia kan geen beschutting bieden: niet aan de jood, niet aan de homo, niet aan de zigeuner, niet aan de mens.

Ik denk opnieuw aan woorden, de woorden nu van Rutger Kopland, vol van verwarring, vol van vragen, vol van vertwijfeling wanneer hij voormalig kamp Natzweiler bezoekt:

 

(I) En daar, buiten het prikkeldraad, het uitzicht,
zeer lieflijk landschap, even vredig
als toen.
Het zou hen aan niets ontbreken, ze zouden
worden neergelegd in dat grazige gras,
worden gevoerd aan die rivier van rust,
daar in de verte. Het zou.

(II) Ik speur de vensters af van barakken,
wachttorens, gaskamer.
Alleen de zwarte spiegeling van verte
in de ramen, van vredig landschap,
en daarachter, niemand.

(III) De doden zijn zo hevig afwezig, alsof
niet alleen ik, maar ook zij
hier staan
En het landschap hun onzichtbare armen
om mijn schouders slaat.
Ons ontbreekt het aan niets zeggen zij,
wij zijn deze wereld vergeten,
Maar het zijn geen armen,
het is landschap

(IV) De vergeelde foto’s in de vitrines,
hun door hun schedels aangetaste
gezichten, hun zwarte ogen,
Wat zien ze, wat zien ze?
Ik zie hen aan, maar waarom.
Hun gezichten zijn tot de wereld
gaan horen, de wereld
die zwijgt.

Rutger Kopland, in: Voor het verdwijnt en daarna, 1985.

Thoth: Vrijheid van denken