Skip to main content

Op een mooie lentedag, de vierde dag van de vierde maand sinds nieuwjaar, wordt, niet eens zo heel ver van Arcadië, een tweeling geboren. Een meisje en een jongen. De vader en moeder zijn dolgelukkig met hun twee kinderen, die vanaf de eerste ademteug blozen van gezondheid, en wanneer ze huilen kan je dat van verre horen. Ze zijn zich bewust dat een krachtige adem een voorteken kan zijn van een gezond leven en ze voelen zich helemaal compleet als gezin.

Twee dagen na de geboorte loopt een eenzame handelsreiziger, gekleed in vodden en met enkele buideltassen op zijn rug, langs het huis van de ouders met tweeling. De tweeling begint net hongerig te huilen en dat maakt de handelsreiziger duidelijk alert. Hij stopt, strekt zich uit, onderzoekt waar het geluid vandaan komt, beweegt zich vervolgens soepel naar de voordeur van het huis en klopt aan. Het gehuil houdt op. Na nog eens aankloppen gaat de voordeur open. De man in de deuropening kijkt enigszins argwanend neer op de handelsreiziger in vodden.

“Vergeef me dat ik zo ongevraagd aanklop, waarde heer,” begint de handelsreiziger. Voor een in vodden geklede persoonlijkheid is zijn stem verrassend krachtig en rustgevend. De man in de deuropening ontspant zichtbaar en dat ziet de handelsreiziger als een aansporing. “Ik hoor dat u twee heel jonge kinderen hebt. Zijn ze zopas geboren?” De man in de deuropening knikt. “Een jongen en een meisje? Een tweeling?” De man in de deuropening fronst nu zijn wenkbrauwen, hoe kan deze handelsreiziger dat weten?

“Ik wil uw kinderen zegenen met voorspoed en gezondheid. Neem als geschenk deze twee beeldjes aan, een voor ieder kind.” De man in de deuropening neemt de beeldjes niet aan. Stel dat hij er vervolgens heel veel goudstukken voor moet betalen! De handelsreiziger lijkt zijn aarzeling te begrijpen. “Het is echt een geschenk voor uw kinderen. Het zal ze voorspoed brengen als u de beeldjes bij beiden op de slaapkamer zet. De goden zijn vereerd met uw mooie kinderen.” De man neemt, enigszins beduusd nu, de geschenken aan; twee prachtig gebeeldhouwde marmeren beeldjes van een el hoog, met als motief een slang die tegen een stam omhoog slingert. Ze lijken elkaars spiegelbeeld; de een is van wit en de ander van zwart marmer. De man in de voordeur bedankt de handelsreiziger uitbundig voor deze toch wel heel mooie geschenken en biedt aan om een zak vol met goede wijn en brood te laten brengen voor de verdere reis. De handelsreiziger bedankt hem daar vriendelijk voor en de man gaat de spullen binnen halen. Maar zodra hij weer terug is bij de voordeur – hij was niet eens zo heel lang weggeweest – is de handelsreiziger verdwenen… In geen velden of wegen te bekennen, zover hij kan zien. De beeldjes krijgen, ondanks dit wat vreemde en kortstondige bezoek aan de voordeur, een plaats op de kast van de kinderkamers van het meisje en de jongen. Al snel is het bezoek vergeten. De kinderen groeien goed op en zij vinden de beeldjes zó mooi dat ze deze een prominente plek op hun slaapkamer behouden.

 

Thoth: Vrijheid van denken